De groeten van Paul
Wij kunnen het ook niet helpen, maar het monument in Yaoundé dat herinnert aan de vereniging van het Engels en het Frans sprekende deel van Kameroen is sprekend een enorme drol. Alsof de gelijkenis nog niet groot genoeg is, komt ons bij het naar binnengaan een poeplucht tegemoet. Volgens Silas, onze gids, wacht ons boven een onvergetelijk uitzicht. Maar boven stinkt het minstens zo erg. We krijgen de slappe lach. Achtervolgd door een zwerm vliegen hollen we naar buiten. De bloedserieuze Silas schaamt zich dood voor zijn landgenoten. Hij is ook een beetje boos op ons, want wij tonen geen respect voor de cultuur van zijn land. Om hem tegemoet te komen informeren we wat het
gedenkteken precies voorstelt. Hij legt uit dat Kameroen ruim honderd stammen telt, elk met zijn eigen taal, maar dat men om onderling te kunnen communiceren aangewezen is op de talen van de vroegere overheersers. De slakkenhuisvorm symboliseert de lange, moeizame weg naar eenwording.
Wij vragen een passerende hoge militair of wij een foto van het monument mogen maken. We zijn gewaarschuwd: altijd eerst toestemming vragen. Om niet wegens spionage te worden opgepakt, schieten we maar geen plaatjes van de volgende bezienswaardigheid, het voetbalstadion. Maar het betonnen standbeeld bij de ingang lijkt ons geen staatsgeheim. Het ooit felgekleurde beeld is bedoeld als eerbetoon aan de legendarische voetbalheld Roger Milla, de man van de fameuze dribbels en de danspasjes bij de hoekvlag. Gerarda neemt een foto. Prompt staat er een suppoost naast ons. Hij eist het filmrolletje op. We weigeren. ‘Tweehonderd dollar is ook goed’, zegt hij. Silas duwt ons de auto in; dit varkentje wil hij zelf wassen.
Er ontstaat een oploopje. De suppoost, die er kennelijk van uit gaat dat wij geen Frans verstaan omdat we Engels met Silas spreken, beweert
bij hoog en bij laag dat hij ons kent uit Parijs, waar we hem zouden hebben gediscrimineerd. Hij verwijt Silas dat deze zijn zwarte broeders verraadt door de kant van de blanken te kiezen. Hij belooft de omstanders dat ze mee mogen delen in de tweehonderd dollar. Elyssee, onze chauffeur, wrijft zich alvast in de handen.
We hebben we ons laten vertellen dat humor gewaardeerd wordt in Kameroen, dus ik waag het erop. Ik roep de suppoost toe dat mijn vrouw en ik recht hebben op een deel van de buit: per slot van rekening is het òns geld. De omstanders vinden het prachtig, maar de suppoost laat een hartgrondig ‘Wéké!’ (Kameroenees voor ‘Krijg nóu wat!’) horen en maakt zich uit de voeten.
Terwijl we nog na zitten te genieten, wordt onze auto aangehouden bij een wegversperring. Een van de politiemannen spreekt mij
aan als ‘monsieur le Blanc’. We moeten onze papieren laten zien. Ik reik hem het hele zwikje paspoorten, vliegtickets, vouchers, inentingsboekjes en 65+ passen aan. Hij bladert het achteloos door, laat Silas langs zijn neus weg weten dat onze visa verlopen zijn en
steekt het stapeltje met een onverschillig gebaar in zijn broekzak. Hij noemt een duizelingwekkend bedrag, want het is een ernstige overtreding. Wat nú weer? Ik fluister Silas iets in het oor. Vanuit de auto zien we hoe hij op het groepje andere agenten toeloopt, dat zich totnogtoe afzijdig heeft gehouden. Geschrokken haasten zij zich naar onze diender, die de papieren bliksemsnel te voorschijn haalt en er panisch in begint te zoeken. Even later springt hij in de houding, salueert en geeft mij het stapeltje onder duizend excuses terug. Bovenop prijkt een prentbriefkaart van Paul Biya, de president van Kameroen. ‘With kind regards to my friends Otto and Gerarda’, staat erop geschreven.
De les die we uit deze eerste dag in Kameroen trekken is dat we de foto van Paul voortaan beter meteen boven op het stapeltje kunnen leggen, en dat ik vanavond ook een Franse versie schrijf. Goed dat we een extra exemplaar gekocht hebben.