Ingezonden reisverhalen > Iran, even wennen

Iran, even wennen

Reisverhaal geschreven door Mark Weenink

Salam aleikum! Iran, het is even wennen. Ik spreek geen Farsi en hoewel mijn handschrift soms anders doet vermoeden, kan ik het ook niet lezen. De meeste mensen hier spreken geen Engels, dus communicatie gaat met handen en voeten, m’n Lonely Planet phrasebook en gewoon Nederlands. Soms kom ik er wel uit, vaker loopt een gesprek na de geijkte vragen (uit welk land kom ik, ben ik getrouwd, wat vind ik van Iran?) enigszins vast.

Iran, het is een wereld van verschil met de onze, maar toch is er eigenlijk (natuurlijk ook) veel hetzelfde. In de winkels liggen hier krultangen en scheerapparaten van Philips, strijkijzers van Black & Decker en Coca-cola ontbreekt uiteraard niet. Verder heeft iedereen de nieuwste en meest flitsende mobieltjes: Nokia, Sony Ericsson, noem maar op. Wat me opvalt in het straatbeeld is het gebrek aan kleur. Donkerblauw, bruin, grijs en vooral zwart zijn de tinten waarin mensen gekleed gaan. Ik val dus behoorlijk op met mijn rode fleece. Mijn gladgeschoren gezicht onderscheidt me ook van de Iraniërs. Iedere zichzelf respecterende Iraanse man heeft een baard of toch ten minste dan een snor.

Iraniërs zijn over het algemeen heel vriendelijk en ze proberen je zo goed als ze kunnen te helpen, ondanks de taalbarrière die tussen ons staat. Soms komt er iemand ietwat verlegen naar je toe (altijd een man, een vrouw zal bijna nooit uit zichzelf een praatje met je aanknopen (dat wil zeggen met mij als alleenreizende man). Dan wil hij graag kletsen om zijn Engels te oefenen en omdat hij benieuwd is wie je bent en wat je hier doet.

Inmiddels heb ik een goede manier gevonden om met de locals in contact te komen. Ik stap dan een brak theehuis binnen: felle tl-lampen, Khomeini aan de muur, de televisie die schettert, troep op de grond. Op stoeltjes en banken met daarop Perzische tapijten zitten allerlei heren tevreden aan een waterpijp te lurken. Jong en oud zitten gebroederlijk door elkaar. Er wordt driftig mobiel gebeld en ge-sms-t. In mijn onbeholpen Farsi maar vooral met gebarentaal (ik wijs op een waterpijp en zeg ‘tjay’, wat thee betekent) maak ik duidelijk wat ik wil.

Wanneer de waterpijp voor mijn neus staat, zit ik er een beetje verloren bij, ik weet niet echt hoe of wat. Als een aapje kijk ik langzaam de kunst af bij mijn buurmannen. Je moet een papiertje oprollen en als mondstuk gebruiken. Op een relaxte manier houd je de slang vast, etc. De mannen bekijken me vanuit hun ooghoeken en keuvelen lekker door.  Na enige tijd word ik – amateur die ik ben – een beetje licht in mijn hoofd. De rest van het theehuis heeft het ook in de smiezen en besluit in te grijpen. Een man haalt mijn waterpijp weg en komt terug met een stuk ui. Om te ruiken? Nee, om op te eten. Daar heb ik echter geen trek en ik zet het op een zuipen. Thee natuurlijk, want alcohol is in de Islamitische Republiek van Iran ten strengste verboden. Anyway, het ijs is gebroken en een man die luistert naar de naam Firuz spreekt Engels en ik ben het middelpunt van de belangstelling.

Mijn eerste week in Iran heb ik behoorlijk in het wilde weg gereisd, vanuit Teheran naar Tabriz in het noordwesten en toen weer via Teheran naar Mashad in het noordoosten. Langzaamaan begin ik mijn draai te vinden. Mijn Farsi gaat iets beter (mijn woordenschat is verdubbeld zo niet verdrievoudigd!) en ik zit in het theehuis er nu als een volleerde waterpijproker bij. Toch kom ik nog regelmatig voor verrassingen te staan. Zo zat ik in een brak restaurantje lekker kebab weg te happen en nam ik er een yoghurtdrankje bij, gezond en lekker. Bij de eerste slok weet ik niet wat me overkomt. In plaats van de lekkere, zoete yoki-drink die ik gewend ben en verwacht, giet ik een soort vloeibare sladressing naar binnen. De versie met koolzuur erbij heb ik ondertussen ook tot me mogen nemen. Iran, het blijft even wennen.

< Terug naar alle ingezonden reisverhalen
Chinese lampionnen aan een koord. Mijn onvergetelijke reis