Op een dinsdagmiddag zwerf ik door de Jordaan en snif de voor mij vertrouwde Amsterdamse sferen op. Ik ben weer thuis. Mijn oog valt op de etalage van Evenaar. Voor ik het weet sta ik binnen vaag te zwetsen over Henry David Thoreau waar ik geïnteresseerd in ben geraakt door de film ‘Into the Wild’, maar eigenlijk wil ik mij gewoon weer even heel erg thuis voelen tussen al die geschreven woorden over de wereld en haar reizigers. Want daar ben ik er ook één van.
Mijn ogen glijden via Peru en India naar Borneo. Hey! Mark Eveleigh, dat is de schrijver die ik afgelopen mei ontmoette in Indonesie op het eiland Flores. Mark viel me meteen op bij een hotspring in Moni waar we als enige niet tot de lokale bevolking behoorden. Er staat zowaar één van zijn boeken in de kast. Ik kan het niet laten mezelf eigenaar ervan te maken. Niet alleen omdat ik graag lees over Eveleigh’s zoektocht naar ‘The wild man of Borneo’ maar ook omdat de schrijver mij herinnert aan Flores, dat bijzondere eiland.
Mijn reis begon in het onderwaterparadijs Komodo waar ik boottochtjes maakte om te duiken. Daarna reisde ik verder naar het oosten. Onderweg stopte ik in diverse dorpjes om de busreis te onderbreken en de bijzondere natuur en cultuur te ervaren. De verschillende stammen en hun leefwijzen brachten mij miljoenen jaren terug in de tijd. De Manggarai, de Ngada, de Lio, de Sikkanese en de Lamaholot spreken een eigen dialect en houden al eeuwen vast aan hun eigen tradities. Zo werd een reis op een vulkanisch eiland een reis door een levend openlucht museum.
Onderweg van Bajawa naar Moni, opgevouwen in de bus, was het helemaal niet ongezellig. De bus was volgepropt met mensen en zakken rijst. Diverse kippen en zwart harige varkentjes hielden ons aangenaam gezelschap! Een uurtje vóór Moni kregen we een lekke band. Iedereen de bus uit en in recordtijd werd heel handig het wiel verwisseld. Ik ontdekte dat er een geit op het dak van de bus was vastgebonden tussen koffers, tassen en zakken en schoot in de lach. De locals keken me verbaasd aan en schoten toen zelf ook in de lach.

In de dorpjes die ik bezocht logeerde ik bij families die een simpel briefje met ‘H O M E S T A Y’ op hun huis hadden geplakt. Zij openden niet alleen hun deuren voor de reiziger, maar ook hun hart. Ik werd vaak uitgenodigd om mee te eten. De vis werd buiten op een vuurtje gaar gebakken. In een kring zaten we op gevlochten bamboo matjes. We schoven de vis naar elkaar door om er een stukje van af te pakken en samen te voegen met de rijst en groenten op ons bord.
Na een korte nacht in Moni ging om vier uur ’s ochtends mijn wekker af, tijd om Nusa Tenggara’s meest spectalculaire en adembenemende pracht te bewonderen. Bij volle maan reed ik met m’n brommertje door de bergen naar de plek waar ik te voet verder moest. Na een flinke klim kwam ik bij het hoogste viewpoint uit waar nog drie andere reizigers met smart zaten te wachten op de zon, die zijn stralen zou laten schijnen op het mooiste wat ik ooit gezien had: Kelimutu en de vulkaan kraters. Alle drie in een andere kleur: turquoise, chocolade-bruin en zwart.
De natuur en de bewoners van Flores hebben mij betoverd.
< Terug naar alle ingezonden reisverhalen