Hongarije 1956. Katalin vlucht naar het westen en laat haar man en twee jonge kinderen achter, die vervolgens door het land trekken zonder vaste verblijfplaats. Kati en haar broertje Isti doen op hun tocht vergeefs hun best om de onbegrijpelijke wereld van de volwassenen te doorgronden. Zó mooi en ontroerend verteld, met een zó rijke kinderlijke fantasie dat je met een glimlach op je gezicht (of een traan) mee op pad bent, richting Szerencs, voor onderdak bij tante Zsófi, of naar Siófok aan het Balatonmeer, waar Isti en de 'ik' (Kati) op een zondag leren zwemmen..
< Terug naar de boeken met stip